Op 30 januari 1816 vond de officiële opheffing (ontbinding) plaats van het negende landstormbataljon van het arrondissement Deventer, welke was samengesteld uit mannelijke ingezetenen van de gemeenten Hardenberg en Gramsbergen.

Eind 1813 was in Nederland het Reglement van algemeene Volkswapening, Landstorm en Landmilitie uitgegeven, waarin onder meer de Landstorm werd opgericht. Alle weerbare mannen, tussen de 17 en 50 jaar oud, dienden zich te organiseren in bataljons ter verdediging van de eigen omgeving. De manschappen droegen geen uniform, maar ze moesten wel allemaal een groene tak met bladeren op de hoed dragen als kenmerk. Alleen degenen die de exercitie goed beheersten, mochten een soort uniform en uitrusting krijgen.

De landstormbataljons namen gedurende de bevrijdingsoorlog van 1813-1814 veelvuldig deel aan het belegeren van Franse garnizoenen. Het 9e landstormbataljon werd gedurende die periode gecommandeerd door luitenant-kolonel jonkheer Jacob van Foreest van Heemse en aangevoerd door majoor Antoni van Riemsdijk. Toen het moment was aangebroken op het bataljon op te heffen, schreef Van Riemsdijk het volgende gedicht, dat o.a. werd gepubliceerd in de Overijsselsche courant van 2 februari 1816:

gedicht antoni van riemsdijk

Geluk mijn Vaderland! de Dwing’land is verslagen,
de geessel van Euroop heeft gene krachten meer,
herwaakte heldenmoed van lang getergde volken
trof ’t monster van nabij en veld’ het roemrijk neer.
Getuige Waterloo. Getuig, ô eed’le Vrede!
die thans Europa drenkt en met verkwikking laaft,
die ’t krijgsgewoel ontbondt en millioenen handen,
nog straks ten krijg gerust, aan ’t stil beroep hergaaft.
Ook d’onze, door den vorst ter waap’ning opgeroepen,
behoeft het vaderland voor zijne rust niet meer,
de vrede staakt den band, die onze g’leed’ren gorde,
en geeft ons aan ons zelfs en stillen werkkring weer.
Triumph, lö, Triumph! lang duur de zaal’ge vrede,
wee ’t monster, dat haar stond – de wapens weer ter hand,
zoo immer Neerlands grond, – zoo immer Neerlands koning
word’ op den troon geschudt en wreev’lig aangerand.
Dit zij ten duuren eed hier (*) voor Gods oog gezworen,
Oranje zij de leus, de kreet het vaderland!
de koning wenke slechts, – straks ijl en vlieg te wapen,
wat wapens torschen kan in ’t vrijë Nederland

 * eene weide voor den Huize Heemse, toebehorende aan den hoogwelgeboren heer jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, luitenant-colonel, commanderende het battaillon.